Met stookolie kwam ook armoede bovendrijven

Toenmalig collegeleraar E.H. Daniël Van Parys betrok als priester-leraar een kamer in de schoolvleugel kant Euphrosine Beernaertstraat.


De bewuste zondagmorgen werd hij gewekt door de directeur van de lagere afdeling Jacques François, die hem meldde dat de feest- en filmzaal van het klein college onder water stond.

Besmetting


De bassings zien overgeloopen, wist die laatste te melden. In de feestzaal was het een echte katastrofe, herinnert Van Parys zich nog. Versterker, projector en filmrollen - alles stond al klaar om de internen en externen uit de stad na vespers en lof ook de laatste vrije uurtjes van die zondag van straat te houden - waren door een stinkende cocktail van riool- en zeewater op smaak gebracht met wat scheuten stookolie. Anderhalve meter boven de vloer dreven ook de zitbanken, stoelen en piano chaotisch rond. Even twijfelde principaal Verbeke nog, maar onder druk van de priesters-leraars kondigde hij toch een weekje vakantie af. Terecht, want de steenkoolvoorraad in de kelders bleek aangetast. Er was geen elektriciteit meer en op maandag begon het te sneeuwen.

Zelf mobiliseerde Van Parys als KSA-proost de Jong-Hernieuwers en de Hernieuwers voor een hulpactie. De caritatieve stoottroepen passeerden ook bij de Arme Klaren in de Platformstraat: Ik heb in m'n hele leven nog nooit zoveel appels op het water zien drijven als daar. Toen ik de zusters vertelde dat van overheidswege alle voedsel dat door het brakke water was aangetast op straat moest voor ophaling, om besmettingsgevaar te voorkomen, steeg bij de Klaren een collectieve jeremiade op: maar al dat schoon eten, al die gesteriliseerde groenten: dat kunnen we toch niet weggooien, dat is toch zonde

Dramatischer was echter de schrijnende onvrijwillige armoede waar de proost en zijn kornuiten op stuiten in de Kaaistraat. In een garre achter een poort troffen ze in de vrieskou een oude, zieke man aan in een bed onder een afdak.
Ook anderen leefden in dat beluik in de dofste ellende. Een paar dekens waren voor hen een godengeschenk.

Maar ook in het college zelf werd een eerste hulpopvang georganiseerd: noodlijdenden kregen er tijdelijk onderdak; er werd soep bedeeld en kledij verstrekt. Noodgedwongen zochten de priester-leraars die in het college gebleven zijn tijdens de vrieskoude avonden wat ingebeelde warmte rond een kaars in de kamer van collega Emiel Devriese.

Pauselijke appels

Een paar weken later arriveren voor de collegepoort een paar vrachtwagens vol Italiaanse sinaasappelen. Een gift van de paus, zo blijkt. Het fruit wordt door de leerlingen in de turnzaal opgestapeld en de volgende dagen aan de behoeftigen uitgedeeld. Ook de collega's die tijdens de overstromingsweek op school gebleven waren kregen hun deel. De anderen, die we niet tot de geteisterden rekenden, niet! zegt Van Parys niet zonder binnenpretjes.


(Marc Loy)´


Met toestemming overgenome uit "De Zeewacht" van januari 2003